Het is woensdag en ik rijd naar Aarle Rixtel. Het is heerlijk weer en, ik heb geluk, het is heel rustig op de weg. Ik zing lekker ontspannen mee met een liedje en daarna hoor ik het op de radio. “De wereld zit in de puberteit” zegt de presentator. Dat vind ik een interessante gedachte. Ik luister nieuwsgierig verder en ik ‘hum’ instemmend. Want ja, het klopt. Alles schuurt op dit moment. Het oude werkt niet meer. Het nieuwe is er nog niet. Iedereen roept heel hard, maar luistert weinig. Er is verwarring, verzet, drift en hoop.
Alsof we, als mensheid, opgroeien. Alsof we tussen twee fases in zitten. Tussen het ‘kind-zijn’ en de volwassenheid. Dus midden in de recalcitrantie van de puberteit.
En ineens denk ik: als de wereld een puber is, dan vraagt deze tijd niet alleen om oplossingen, maar om bewustwording. Om stil te staan bij wat we zien én wat we niet willen zien. Want wat gebeurt er in een puberteit? Alles komt op scherp te staan. Identiteit, grenzen, emoties, keuzes. Het schurende is nodig om te groeien, maar kan ook verlammen als we blijven hangen in alleen maar roepen en reageren.
Dus als de wereld een puber is, dan is dit precies zo’n moment waarop alles schurend en rommelig voelt. Alsof we met z’n allen midden in de chaos van een tienerkamer zitten.
Een ruimte vol oorverdovende kleuren. Je wil er soms je ogen en oren voor sluiten.
Alles is overhoopgehaald. Posters scheef, harde muziek, felle kledingstukken verspreid over de grond. Om de kamer in te komen (als dat al mag) moet je hink-stap-springend over uitgepakte pakketjes, halflege broodtrommels met iets groenigs dat ooit een boterham was en andere onduidelijke spullen stappen. Een kamer waar niets meer rust geeft en waar alles tegelijk aandacht vraagt en je overprikkeld raakt.
Alles ligt overhoop in een zoektocht naar wie we zijn en willen worden.
En alles schreeuwt: “Let op mij! Zie mij! Hoor mij!”
Het helpt niet om zelf ook te gaan schreeuwen. Misschien helpt het meer om even stil rond te kijken naar wat er weg zou mogen en wat mag blijven. Maar ook om te zien welke kleuren hier letterlijk en figuurlijk domineren.
De wereld in de puberteit; de wereld als een chaotische tienerkamer. Vol felle kleuren.
Kijk maar eens hoe rood zich laat zien: urgentie, woede, vechtlust. Rood in protestborden, rode koppen in de media, rood in de vurige toon waarmee we elkaar aanspreken.
Oranje flitst op uit de drang naar ‘YOLO’ (You Only Live Once) en spektakel: festivals, selfies, reclames. Overal de roep om aandacht. Overal: ‘Kijk eens hoe leuk ik het heb!’.
Felle geeltonen dringen zich op als dwingende wijsheid: ‘Je móet dit weten. Je móet dit begrijpen.’ Geel in reclames, snelle nieuwsitems, pushberichten; kennis verpakt als constante haast.
Zwart/wit hangt als scherpe posters aan de muur: polarisatie. Alles tegenover elkaar, radicaal en ongenuanceerd. Goed of fout. Voor of tegen. Alles of niets.
Zelfs blauw, normaal de kleur van rust, is hier hard en koel geworden: regels, procedures, systemen zonder hartslag.
En wat ontbreekt er?
De zachtere tinten die balans brengen.
Olijfgroen van verbinding.
Het lichtroze van zachtheid.
Het lichtblauw van ademruimte.
De kleur lavendel van rust.
De kleur zalm voor oprechte interesse in de ander.
Misschien vraagt deze puberale wereld ons niet om harder te roepen, maar zachter te kijken. Bewuster te kiezen: welke kleuren brengen we in? Welke sfeer willen we eigenlijk voeden?
Terwijl ik verder rijd, denk ik erover na. Welke kleuren passen nu eigenlijk bij mij, op dit moment?
Het voelt prettig om daar even de tijd voor te nemen. Rijdend door het landschap, meezingend met een nieuw liedje op de radio, kijk ik in gedachten naar mijn eigen kleurpalet. Niet als oordeel, maar als uitnodiging: wat zou ik vandaag willen toevoegen?
En jij?
Als je vandaag rondkijkt? Welke kleuren domineren in jouw wereld?
Welke zachte tint zou jij willen toevoegen, als tegenwicht in deze oorverdovende wereldkamer?



